Ik ben net een week terug van een vakantie naar mijn familie in Curaçao, daar werd ik herinnerd aan wat een entree kan zijn. De overgang tussen buiten en binnen is er geen bijzaak, maar een manier van leven. De ‘porch’ is geen reststrook; het is ontvangst, ontmoeting, verkoeling, familie. Je komt niet zomaar een huis binnen, je arriveert.
Toen ik in Nederland kwam studeren, leerde ik iets anders. Een woninghal moet efficiënt zijn. Zo klein mogelijk. Geen verspilling van vierkante meters. Optimaliseer het BVO, maximaliseer het GO. De voordeur en de ruimte daarachter zijn geen ritueel, maar logistiek. Doorstroom. Kostenbeheersing. En ergens zijn we dat normaal gaan vinden.
We ontwerpen woningen alsof iedereen hetzelfde leeft. De hal is minimaal. De keuken is open. De woonkamer is het hart. De trap staat efficiënt gepositioneerd. We optimaliseren vierkante meters, rekenen aan BVO/GO-verhoudingen en persen de plattegrond tot een economisch sluitend geheel. Functioneel, logisch, rationeel. Maar logisch of functioneel voor wie?
Nederland is al lang geen homogene samenleving meer. Onze straten zijn divers. Onze scholen zijn divers. Onze eetcultuur is divers. Maar onze woningplattegronden? Die zijn opvallend uniform. Dat is geen toeval. Dat is een ontwerpkeuze.
In veel culturen is het vanzelfsprekend dat je je schoenen uittrekt voordat je een huis betreedt. De entree is daar geen restzone, maar een essentieel filter tussen buiten en binnen. Een plek van overgang, van vertraging, van ritueel. Toch ontwerpen wij de hal als minimale verkeersruimte: net breed genoeg voor een kapstok. Efficiënt, maar cultureel niet universeel.
Ruimte belichaamt waarden. De open keuken weerspiegelt een ideaal van transparantie. De kleine hal suggereert dat buiten en binnen nauwelijks gescheiden hoeven te worden. De standaard slaapkamermaat veronderstelt een bepaald gezinsmodel. Wat wij ‘logisch’ noemen, is vaak de vertaling van dominante leefpatronen. En efficiëntie is daarbij geen universeel instrument. Het is een ideologie geworden.
We spreken in de architectuur graag over ontmoeting, inclusiviteit en diversiteit. Over representatie in jury’s en op podia. Maar hoe inclusief is onze architectuur zelf? Ontwerpen wij woningen die ruimte laten voor meergeneratiegezinnen? Voor informele zorgstructuren? Voor religieuze gebruiken? Voor andere ideeën over privacy en collectiviteit?
De komende jaren bouwen we honderdduizenden woningen. Juist nu leggen we vast hoe Nederland straks woont. Dit is het moment om de standaard te bevragen. Niet door doelgroepen te etiketteren, maar door fundamenteler te denken: kunnen we flexibeler ontwerpen? Kunnen entrees weer betekenis krijgen? Kunnen tussenruimtes bestaan zonder direct wegbezuinigd te worden?
Architectuur heeft altijd de ambitie gehad om vooruit te lopen op maatschappelijke verandering. Wellicht moeten we onszelf een ongemakkelijke vraag stellen: ontwerpen wij voor de samenleving die er is en komt, of voor een samenleving die ooit dominant was?
Misschien is het tijd dat onze plattegronden net zo divers worden als onze straten.