Ik denk nog vaak aan de kamer in mijn geboortehuis, in een klein dorp in Iran.
Architectonisch was er weinig bijzonders aan. De kamer had één klein raam en vrijwel geen uitzicht. In een klimaat waar je jezelf juist tegen de hitte beschermt, waren grote ramen ook helemaal niet interessant. Het huis was niet ontworpen door een architect. Mijn vader en zijn broer bouwden het uit noodzaak, met de middelen en kennis die zij op dat moment hadden.
Toch komt juist die ruimte, na ruim dertig jaar, steeds terug in mijn herinneringen.
Er lag een Perzisch kleed op de vloer. Langs de wanden liep een lambrisering die, wanneer je op de grond zat, precies op schouderhoogte eindigde. Omdat er nauwelijks ramen waren, voelde de kamer niet donker of benauwd, maar juist besloten en geborgen. Tenminste, zo herinner ik mij die kamer. De laatste keer dat ik er was, is inmiddels ruim dertig jaar geleden.
Alles wat ik als architect geleerd heb, zou mij waarschijnlijk afraden om die ruimte opnieuw te ontwerpen. Te weinig daglicht. Geen uitzicht. Nauwelijks relatie met buiten. En toch denk ik er met een warm gevoel aan terug. Dat fascineert en frustreert mij.
We spreken als architecten graag over programma, materialisatie, duurzaamheid en context. Allemaal onmisbaar. Maar kennelijk ontstaat de betekenis van een ruimte niet alleen uit wat wij kunnen meten, tekenen of onderbouwen.
Toen ik jaren later ‘De poëtica van de ruimte’ van Gaston Bachelard las, viel er iets op zijn plek. Niet omdat hij mij leerde hoe ik moest ontwerpen, maar omdat hij woorden gaf aan iets wat ik al die tijd onbewust had gevoeld: dat ruimtes zich niet vastzetten in ons geheugen als perfecte beelden, maar als gevoelens, rituelen en herinneringen.
Tegelijkertijd leven we in een tijd waarin architectuur concurreert met duizenden andere beelden. Iedere dag verschijnen nieuwe, ogenschijnlijk perfecte woningen en interieurs, steeds vaker ontworpen door AI. Technisch indrukwekkend, esthetisch bijna foutloos. Soms vraag ik mij af of een algoritme ooit een ruimte kan ontwerpen die reageert op de ziel van degene die erin leeft.
Ik wil zelf ook dat een ontwerp gezien wordt. Dat het raakt en de aandacht trekt. Ik beweeg net zo goed mee in een wereld van krachtige beelden en grote gebaren.
Maar daarna?
De kamer uit mijn jeugd was niet ontworpen om indruk te maken. Toch is zij mij altijd bijgebleven. Niet door haar schoonheid, maar door de geborgenheid die zij bood.
Ik geloof dat we de strijd om het mooiste beeld uiteindelijk zullen verliezen. Aan algoritmes. Aan kunstmatige intelligentie. Aan een wereld waarin perfectie steeds sneller wordt gegenereerd.
Maar dat is ook niet de strijd die we moeten willen winnen.
Onze waarde als architect ligt niet in het maken van de mooiste afbeelding. Onze waarde ligt in het ontwerpen van ruimtes die zich pas jaren later prijsgeven. Ruimtes die onderdeel worden van iemands leven. Ruimtes die herinneringen dragen.
Want architectuur eindigt niet wanneer een gebouw wordt opgeleverd. Architectuur begint pas wanneer een ruimte een herinnering wordt.